Ali B leeft in een wereld van flows, dissen en swagger. In 2004 werd de rapper bij een groot publiek bekend met het nummer Wat zou je doen met Marco Borsato. Hij won diverse prijzen, waaronder de Popprijs, een Zilveren Harp en een TMF Award. Hij kreeg zijn eigen wassen beeld in Madame Tussaud. Trouw-columnist Sylvain Ephimenco zag hem als ‘de juiste Marokkaan op de juiste plaats op het juiste moment’. Ali B was ‘het diapositief van autokrakende schoffies en Mohammed B’.

Ali B (voluit: Ali Bouali) haalt er zijn schouders over op. Hij is wie hij is. Intussen heeft de bekendheid hem veel gebracht. Hij is zanger, entertainer, tv-presentator en platenbaas. We spreken af op het nieuwbouwkantoor van zijn eigen label aan de rand van Almere. Soms horen we zijn zoon Amin, een baby van een paar maanden oud. De moeder, Breghje, is al jarenlang zijn geliefde en manager. Op een kast staan een achttal blikkerige trofeeën van gewonnen voetbaltoernooien.

‘Ik ben een ontzettende voetbalfan,’ zegt hij met een jongensachtige lach. ‘Met FC Omniworld speel ik in de hoofdklasse amateurs, meestal rechts op het middenveld, en als enige niet-profspeler mag ik meedoen met oud-Ajax. Daar benik heel trots op.’

‘Je bent zoals je speelt,’ zei oud-Ajax-verdediger Barry Hulshoff ooit. Hoe leren we jou op het veld kennen?

Ik sta altijd vrij.

Ben je hard? Meedogenloos?

Nee. Slim. Beweeglijk. En redelijk snel. Ik heb geen actie in huis, ik ga niet de duels aan – daar ben ik te fragiel voor. Ik ben meer een teamspeler die zo efficiënt mogelijk probeert te zijn. Korte tikjes, weetjewel. Mooie steekpassjes. Ik ben vrij behendig. Streetwise – dat typeert mij misschien nog het meest.

Hoe onderscheidde jij je op straat?

Ik was ad rem, creatief met woorden. Maar net als op het voetbalveld steeg ik er niet bovenuit. Er waren jongens die sterker waren, of knapper, en ik huppelde daar een beetje achteraan. Maar als het aankwam op verbale strijd, als we elkaar gingen dissen, dan won ik altijd. Zo kreeg ik respect – daarom kon ik hangen met de grote jongens.

Ik durfde ook meer. Op de lagere school ging ik veel om met Karim en Mohammed, de sterkste jongens van de klas. Op de Ruysdaelkade zaten de hoeren. Zij keken vanuit hun kant van het raam van: hoe ga ik daar geld uit krijgen? Maar zo keken wij van de andere kant ook naar hun! Die hoeren hadden bijna geen pauze, en wij gingen dan boodschappen voor ze doen. Effe een frietje halen, of naar Albert Heijn. Kregen we een gulden voor. Ik was de coördinator, weetjewel. Acht jaar oud. Ik ben een kansdenker. In alles zag ik kansen.

Zaandam, 1981. Wat herinner je je van de eerste jaren?

Alleen mijn katjes en een driewieler met een verroest stuur. Ik zie mezelf op mijn vaders rug naar de Michael Jackson-clip van Beat It kijken. Dat vond ik spannend, want die gasten gingen vechten. Ik kan niet veel over mijn vader zeggen, want dat is niet altijd op een fijne manier gegaan. Die eerste jaren waren chaotisch. In mijn herinnering zie ik flarden. Ik verstop mij onder het bed. Geschreeuw. Een kast in de huiskamer wordt omgegooid.

Op mijn tweede gingen mijn ouders scheiden. Ik verhuisde met mijn moeder en oudere broertje Mo naar Amsterdam. Een of twee keer per jaar zag ik mijn vader, die nam mij dan mee naar Artis. Of ik kreeg een fiets van hem – tweedehands. Hij was automonteur. Zijn aanwezigheid heb ik nooit gemist. Dat is te danken aan mijn moeder. Ik zat maar te redderen, op m’n eigen bijdehandte manier. Dat maakt je als kind vroeg volwassen.

Wat was de mores van dat gezin?

Mijn moeder werkte vaak, anders hadden we niks te eten. Ze was kamermeisje in een hotel of schoonmaakster op Schiphol. Ik was soms dagenlang alleen thuis. Ik had vechtpartijen met mijn broer. Ik had bijvoorbeeld een balletje van hem gejat en hij wurgde me. Krassen in mijn gezicht, bloeduitstortingen. Of ik gooide een grote sinaasappel naar hem, hij bukte en … rinkeldekinkel. Als mijn moeder dan thuiskwam, was ze niet blij. Ik had sterk het gevoel dat ik mij moest handhaven. Ook op school. Op straat. Ik ontwikkelde een soort overlevingsinstinct.

Het ging mis.

Het ging mis, ja. Op m’n veertiende verhuisden we naar Almere, dat toen nog redelijk blank was. Wij kenden een jongen die Daan heette, een dertigjarige skinhead met een leren jassie aan – de ‘bomberjacks’ waren wannabees. Daan had gifslangen. Hij gebruikte hevig drugs, vooral cocaïne. Hij had een wietplantage, van het type purple haze. Mijn broer en ik kwamen uit Amsterdam, we waren nieuw en fris, we hadden een vlotte babbel. Wij gingen voor hem wietzakjes verkopen. We betaalden hem zeven gulden per zakje, en die verkochten we voor tien gulden door. Daar kwam al snel LSD, speed en cocaïne bij. Ik had niet eens het idee dat ik iets verkeerds deed ofzo.

Meest gelezen in Inspiratie

  1. Bent u onze nieuwe reisverslaggever?
  2. De eetbare wolkenkrabber
  3. Eten in het donker

Meer Artikelen

Reageer op dit artikel

Naam*
E-mail*
Reactie*